Untitled Document

't Varken
Een opstel over het varken ingestuurd door Truus van Kempen- Leurs

Het varken.

Er zijn grote en er zijn kleine varkens.

Een heel erg varken is een zwijn.

Vroeger waren er alleen maar wilde varkens.

Die zijn op de boerderij tam gemaakt.

Nu is een varken een echt huisdier.

Als ze nog klein zijn, zijn het echte rakkers,

Dan kun je er fijn mee spelen.

Maar grote varkens zijn altijd vies en vettig.

Het varken is gemaakt van spek.

Dit wordt bijelkaar gehouden door de “swaars”,

die onder de buik wordt dichtgemaakt met knoopjes.

Daaraan alleen al kun je het varken kennen,

want andere dieren dragen zo een jas niet.

De huid van het varken is bedekt met haar,

dat heet varkenshaar, omdat men er borstels van maakt.

Men kan altijd weten, waar achter is bij het varken,

Omdat het daar niet knort.

Recht daar tegenover is de voorkant.

Daar is de kop vastgemaakt,

Omdat het daar eet.

Aan de punt van de kop zijn twee neusgaten,

Die lijken veel op een stopkontakt.

Vanaf dat stopkontakt loopt een lange kabel door het lijf van het varken tot aan de achterkant.

Daar komt die kabel met een mooie krul naar buiten en heet dan varkensstaart.

De krulstaart gebruikt de boer als handvat om het varken vast te pakken.

De staart staat altijd waar het varken ophoudt.

De kop van het varken is aan de voorkant, waar het varken begint.

In de kop staan kleine varkensoogjes.

Daarom kan het varken zo dom uit zijn ogen kijken.

Een nek heeft een varken niet, want anders werd het veel te lang.

Het varken heeft wel twee grote flap-oren.

Daarmee moet het varken zich het zand uit de ogen wrijven,

Want met zijn korte pootjes kan het daar onmogelijk bijkomen.

Het grootste deel van het varken is de rug, die houdt pas op bij de staart.

Het laatste deel van de rug heet “sjonk”.

Dit zit achteraan, opdat het zo lekker is.

Dat is maar goed ook, want anders zou het wel eens kunnen gebeuren,

Als het dichterbij was, dat het varken zichzelf opat.

Een varken heeft ook karbonade, dat is nóg veel lekkerder.

Soep van het varken heet “snert”.

Daar doet men altijd pootjes in.

Daar komt men dan ook vaak van aan de loperij.

Een varkenskop is nodig om er hoofdkaas of “zult” van te maken.

Behalve spek maken ze van het varken ook nog worst en balkenbrij.

O ja, dat zou ik nog bijna vergeten, in het varken zit ook een blaas.

Daar konden de jongens vroeger fijn mee voetballen,

Ik begrijp alleen niet, hoe ze zo een groot ding daarin hebben gekregen…

Een varken is eigenlijk een trekvogel.

Het gaat vaak naar vreemde landen om daar te sterven.

Vroeger waren varkens niet zo lui en zo vet als tegenwoordig.

Toen werden er wel eens zwijnen-draverijen gehouden.

Want al heeft het varken ook maar korte pootjes, het kan er mieters hard mee lopen,

Vooral als je met stenen naar ze gooit..

Als het ’s zomers heel warm is gaan de varkens altijd in de modder liggen.

Dat vinden ze heerlijk, die viezeriken.

Er zijn verschillende  soorten .

Hele kleine varkens, dat zijn biggen.

Dan zijn er nog speenvarkens, lopers en scheutelingen.

Een heel groot varken, waar een boer kleine biggetjes bij-zet om ze op te voeden, is een zeug.

Familie van het varken is de beer.

Dat is de papa van de biggen.

Een ding vind ik wel heel gek, zolang het varken leeft,

Zitten de darmen in het varken.

En als het varken dood is stopt de slager het varken weer in de darmen.

En dan heet het worst.

En nu is het varken uit.

 
 
 
Webontwikkeling: Bart Golsteijn