Untitled Document

De Steenpuist
Truus van Kempen-Leurs

De Steenpuist

 

In een zekere plaats was een garnizoen voor de soldaten die hun best willen doen om flink te exerceren. Dus om hun dienst goed te leren. Maar bij die troep was een soldaat, het was een echte ondermaat.

Die altijd de gewoonte had, ik wed om dit, ik wed om dat. De majoor een hele goede man, die kreeg er toch de brui wel van. Hij sprak soldaat doe me een plezier, dat wedden moet je laten hier. Jij altijd met je wedderij, jij krijgt het aan de stok met mij. Toen sprak de soldaat brutaal:”Marjoor dat is een familie kwaal”. Al houdt u me nog zo in de gaten, dat wedden kan ik toch niet laten. Niet laten, dat staat je net, dat jij je tegen je marjoor verzet. Verzette sprak de soldaat heel vlug, daar kom ik even op terug. Ik zou ’t zelf wel durven wagen, om u om een weddingschap te vragen. Wel wil je weer wedden jongste maat, dan kom er direct mee voor de daad. Je weddingschap kan zo niet zijn of je moet ’t verliezen tegen mij. Je knoeierije kan zo niet wezen, of ik zal je er eventjes van genezen. De marjoor was heel verstrooid. Zoiets had hij nog nooit gehoord. Nou goed;”nu u mijn weddingschap kunt dulden, wed ik met u om 300 gulden, dat er een steenpuist, ja ’t is sterk, zal komen op uw achterwerk. Misschien vindt u ’t wel raar van mij. Maar over 3 dagen zal ’t zo zijn”. Goed uw weddingschap is aangenomen. Over drie dagen kunt ge wederkomen.

Gelukkig en tevreé ging de soldaat nu huiswaarts heen. De eerste dag der drie verstreek, maar hoe de majoor ook in de spiegel keek, hij kon maar niets ontdekken. Hoezeer hij zijn eigen ook mocht rekken. De  tweede dag stelde hij zich voor, dat hij de weddingschap verloor. Maar neen mijn geld zal zo niet strijken. Ik zal de dokter eens laten kijken.

Maar hoe de dokter ook zocht en keek, niets wat op zo’n ding geleek. Nu was het wachten op de soldaat, die op de derde dag voor hem staat. En zo was het begonnen, ik heb die weddingschap gewonnen.

Gewonnen sprak de majoor, die niet meer sprak, maar brulde. Waar zijn jouw driehonderdgulden.

Die centen heb ik subliem, maar mag ik eerst zelf de waarheid eens zien?

Als ik de waarheid mag aanschouwen, mag u de centen houwen. Nu zat de majoor te zweten. De soldaat wilde eerst de waarheid weten.

Hij was niet te buigen, hij wou zich overtuigen. De majoor moet voor zijn wil bezwijken. In vredesnaam, hij moest maar kijken. En de soldaat die dat werkelijk deed, keek naar dat schone deel. Maar goed, hij betaalde werkelijk zijn schulden. Want hij had verloren 300 gulden.

Nu ging de majoor naar de soos. Terwijl hij zich daar een plaatsje koos, was daar de kapitein gezeten, die iets van de soldaten wou weten. En zo ving hij aan. Hoe is’t met die soldaat gegaan, je weet wel, die zo vol met wedden zat? Heb jij hem misschien ook te pakken gehad?

Natuurlijk sprak de majoor verheugd. Die heeft van mij gewis zijn vreugd. Want hij wedde, ja ’t is sterk dat er binnen drie dagen op mijn achterwerk een steenpuist zou zijn verezen. Zo zou de weddingschap wezen. En heb jij dat misschien aan die kerel laten zien. Natuurlijk sprak de majoor, ’t is geen mop, want ’t koste hem 300 pop.

De kapitein werd wit en kreunde ach. Dit is voor mij een dure dag. Hoe heeft die vent dat toch verzonnen. Zevenhonderd gulden heeft hij gewonnen, want 1000 gulden heeft hij van mij te pakken, omdat jij je broek hebt laten zakken. Want hij wedde met mijn bovendien dat hij binnen drie dagen je achterwerk zou zien

 

 
 
 
Webontwikkeling: Bart Golsteijn